P-bewustzijn wordt gedefinieerd als de “minimale neurale basis van de inhoud van een ervaring, dat wat verschilt tussen de ervaring als van rood en de ervaring als van groen” (Block, 2005). De reden waarom deze fenomenale bewustzijnsinhouden worden beschreven als de ervaring als van iets, is omdat er geen noodzakelijk verband bestaat tussen de externe wereld en datgene wat wordt ervaren. Nabeelden, een fenomeen dat optreedt wanneer men lang genoeg naar een object staart en er daarna een visueel spoor achterblijft, zijn een voorbeeld van de mogelijke discordantie tussen ervaring en werkelijkheid. P-bewustzijn verwijst naar de ervaring van subjectieve discriminaties die door de hersenen worden gemaakt. Deze ervaringen zijn niet noodzakelijk verbaal rapporteerbaar. Dit is duidelijk bij mensen die lijden aan een aandoening die blindsight wordt genoemd, waarbij het primaire visuele gebied van de hersenen beschadigd is en patiënten melden dat ze niet kunnen zien, ook al presteren ze beter dan toeval op sommige visuele taken.

A-bewustzijn verwijst naar de “inhoudelijke informatie waarover de ‘consumenten’-systemen van de hersenen kunnen beschikken” (Block, 2005). Voorbeelden van consumentensystemen zijn geheugen en taal. In dit kader is A-bewustzijn dus het aspect van bewustzijn dat door proefpersonen kan worden gerapporteerd. Het bestaat uit de inhoud van het P-bewustzijn die geselecteerd is door een soort “winner-take-all” competitie voor toegang tot een globale werkruimte van hogere cognitieve processen. Proefpersonen beweren zich bewust te zijn van dit soort bewustzijn, dat inhouden omvat die volkomen illusoir zijn. Een voorbeeld hiervan is het verschijnsel dat bekend staat als het Anton-Babinsky syndroom, waarbij patiënten beweren visuele ervaring te hebben, hoewel zij corticaal blind zijn en niet in staat zijn hun vermeende visuele informatie te gebruiken om te navigeren. Een andere pathologie die A-bewustzijn onderscheidt van P-bewustzijn is die van split-brain patiënten bij wie de twee hersenhelften van elkaar gescheiden zijn door de verbindingsstructuur, het corpus callosum, chirurgisch door te snijden. Deze patiënten kunnen zintuiglijke informatie melden die wordt verstrekt aan de linkerhersenhelft, waar zich de meeste taalfuncties bevinden, maar beweren geen ervaring te hebben wanneer dezelfde informatie wordt verstrekt aan de rechterhersenhelft. In deze gevallen kan worden geconcludeerd dat de fenomenale inhoud van de rechterhersenhelft niet toegankelijk is voor de noodzakelijke consumentensystemen van de linkerhersenhelft, hoewel er in beide nog steeds sprake kan zijn van “winner-take-all” fenomenale selectie.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.